Heen

Te laat was ik er te vroeg, was ik maar bij je gebleven.
Stil is het zeker, maar de verkeerde stilte.
Eén van een verschraalde adem, hier pas vertrokken.
Stop de letters vormende woorden en sla het schrift dicht.
Ik verschuil me in bed en hoop je niet langer in mijn dromen te dromen.

1.

De leegte spreidt zich over de vloer, de muren, de deuren, de ramen en houden angstvallig hun getuigenissen vast.
Een kleurloos mozaïek van verdwenen foto’s vult de grauwe muur. Krassen van aanschuivende stoelen. Een deuk in de deur; een vergeten ruzie. Het silhouet van het bed waar ze soms tegen en soms in elkaar verstrengeld lagen.
Vreemd dat vanzelfsprekendheid je zo ongemerkt verlaat. Had hij voor alles werd weggehaald er maar een foto van gemaakt.

Hij laat de sleutels zacht op het aanrecht vallen en gunt zichzelf een laatste blik.
Net voor hij wil gaan komt iets in hem op. Hij loopt naar de badkamer en trekt de spiegel van de muur. Erachter zit een stuk papier en voorzichtig peutert hij de verdroogde plakbandjes los.
Een laatste foto, vlak genomen voor ze hem vorig jaar achterliet. Waarschijnlijk hoopte ze hem zo altijd te kunnen zien. Schreeuwend komen herinneringen op hem af en Siebe wil geen seconde langer blijven.

Hij trekt hun deur achter zich dicht en kijkt voor een laatste keer omhoog. Naast hem hinkelt een blond meisje. Harde wind blaast haar natte jurkje strak. Ze staat stil, kijkt lachend naar hem op en vraagt met een zacht stemmetje ‘En, heb je de foto gevonden?’
Geschokt en zonder te reageren springt hij op zijn fiets. Zo snel hij kan haast hij zich van het oude huis en bij haar vandaan. Vandaag wil hij voor een laatste keer bij Marit zijn.

2.

Hijgend kijkt Siebe naar de ronde oplichting in de vormeloze grijze deken boven zijn natte hoofd. Regen verdrijft de miezer en vloekend zet hij zijn fiets aan het hek vast. Voor de dichte poort kijkt hij geschrokken naar zijn horloge; vijf voor vier. Vast een overijverige medewerker die vroeg naar huis wilde. Hij duwt het hek van de begraafplaats op een kier en wringt zich naar binnen.

Onder grote beuken kronkelt een pad dat hem naar de achterkant van een vervallen gebouw lijdt. Een oude trap klimt naar een verrotte deur. Hij duwt haar open en een aangename warmte heet hem gastvrij welkom. ‘Hallo!’ roept hij maar het blijft stil.
Op een tafel staat een half gevulde beker. Siebe doopt zijn vinger erin en proeft de lauwe koffie.
Hij loopt naar het beslagen raam en draait er een opening in. Uit een mager gezicht kijken zwart omringde ogen vermoeid terug. Onder een grove neus trekken dunne lippen spontaan een brede grijns. Een baardje schuurt onder zijn vingers.

De deur gaat weer open en verstoort de stilte. Een bejaard echtpaar strompelt naar binnen. Siebe groet ze maar beide negeren hem. Het grove hoofd van de oude man volgt bezorgt zijn vrouw. Zijn robuuste handen dirigeren haar voorzichtig naar de tafel.

‘Koffie schat?’ schuurt zijn stem en hij pakt de beker. Siebe kijkt geschrokken op. Het is de stem van zijn vader maar zonder diens gezicht.
‘Doe maar thee, kamille als dat er is’ spreekt verdriet haar woorden. Siebe bestudeert haar vluchtig. Rood geverfde haar, een grijze uitgroei in een onzijdig kapsel, precies het hare. De man zet de gevulde beker voor haar terug en steekt een sigaret op.
‘Freek, doe dat alsjeblieft buiten’
Siebe hoort zijn naam en rent zonder nog een woord te willen horen langs ze naar buiten.

Regen heeft plaatsgemaakt voor een flets zonnetje. Siebe loopt langzaam over het modderige pad en leest onbekende namen op verweerde stenen. Uit het naastgelegen water kruipen flarden mist omhoog. Siebe stopt. Een diepe barst doorkruist scherpe letters in een marmeren steen. Ernaast ligt een omgevallen knuffelbeer. Gehurkt zet hij het beertje overeind en leest de tekst.

Hier liggen jullie niet alleen
maar met iets van ons
dat met jullie stierf
maar nooit verdween

Tot we jullie weer zien
zullen we jullie missen,
mijn liefste meisjes,
onze dochter en
dochters dochter
en dromen jullie in onze dromen
Tot dan lie…                          .

Een dikke laag bladeren verbergt de rest van de tekst. Een vergeten emotie vult zijn hoofd. ‘Hun naam, hun naam, hun naam!’ Schreeuwt hij hard en veegt wild de bladeren van het graf. Dan voelt hij een zachte hand op zijn schouder die hem weerhoudt de namen te lezen.

Siebe draait zijn hoofd en kijkt recht in twee grote bruine ogen. Vanuit een kinderlijk gezicht kijken ze hem bezorgd aan. ‘nog niet’ klinkt haar kinderlijke stemmetje. Hij kent haar gezicht maar kan deze niet plaatsen. Zonder te weten waarom begint hij te huilen. Hij probeert zich te vermanen en wil weglopen maar ze houdt met haar handjes tegen. ‘nog niet, nog even’ maar hij rukt zich voorzichtig van haar los en rent bij haar vandaan.

3.

Siebe staat stil en zijn mond blaast haastige wolkjes. Hij krijgt het koud en kijkt om zich heen. Onder een grijze lucht tekenen kale bomen dunne lijnen. Ver gekrijs van opvliegende kraaien verstoort de stilte en aarzelend dwarrelen de eerste vlokjes sneeuw naar beneden.
Verbaasd kijkt hij naar het kippenvel op zijn blote armen. ‘Had ik geen jas aan?’ maar hij kan zich niet herinneren die aan- noch uitgedaan te hebben. Vergeefs probeert hij de kleine heuveltjes op zijn arm weg te wrijven maar teruggaan durft hij niet. ‘Dan maar zonder verder’. Mompelt hij.

Achter hem komt het gekraak van schoenen in de sneeuw dichterbij. Zes mannen dragen een simpele kist op hun schouder. Op de zijkanten staan handgeschreven boodschappen. Siebe stapt opzij en leest in het voorbij gaan vluchtig wat teksten.
Verbouwereerd blijft hij staan. Zwijgend, stil en geschrokken valt hij op zijn knieën. Hij maakt zich klein en probeert zich in zijn armen te verstoppen. Hij rilt, heeft het koud en hoopt dat hij wakker wordt. Waarom, waarom, waarom? Vraagt hij zich af, stond zijn naam overal op die kist geschreven?

Siebe dwingt zichzelf op te staan, hij moet het zien, moet het weten. Verderop verdwijnt de stoet achter een zachte glooiing. Hij rent omhoog. Bloesems omarmen de dalende weg en sneeuw vermengt zich met vallende blaadjes.

Wanneer hij naar beneden loopt pakt een kleine handje de zijne. Hij begint te huilen maar moet ook lachen. ‘Ik weet wie je bent’ en hij valt voor haar op zijn knieën. Door waterige ogen kijkt Siebe ongelovig naar haar blozende gezicht. Hij legt haar hoofd tussen zijn verkleumde handen en streelt zachtjes haar blonde haar.
Zijn mond gaat open, maar voor hij iets kan zeggen schudt ze haar hoofd ‘zo,’ fluistert ze in zijn oor. Ze pakt zijn hand op en neemt hem naast zich met haar mee.

Wanneer ze de voet van de heuvel bereiken klinkt Siebes favoriete muziek. Kleine groepjes staan soms lachend, soms huilend dicht bij elkaar. Zonder aan te raken lopen beide er door heen. Ze stoppen vlak naast de beschreven kist. Naast een cd speler staan glaasjes met brandende kaarsjes.
Siebe kijkt naar de verkleumde mensen en hoewel niemand terugkijkt herkent hij vrijwel iedereen. Afgezonderd omarmt zijn zus troostend hun huilende ouders. Snel draait Siebe zich van hen af. Hij wil de schuld niet voelen en houdt zich voor dat ze het toch niet zouden begrijpen.

Hij kijkt opzij en ziet haar verderop glimlachend staan. Hij voelt een troostende en zorgeloze warmte. Zomer, het was altijd zomer wanneer haar blonde staart over haar lavendelblauwe jurkje danste. Hij kijkt naar haar en weet.
‘Kijk mamma wacht’ klinkt naast hem en samen lopen ze over het witte gras weg van iedereen.

Een gedachte over “Heen

Plaats een reactie