Marit keek afwezig naar het witte marmer. Even zette ze nadenkend de grote beitel tegen het ruwe steen maar liet haar gevulde handen zuchtend naast zich hangen.
Ze stond op, liep om de steen heen, schudde haar hoofd en gooide met een harde klap haar gereedschap op de houten tafel. Eerst moest ze maar eens met hem gaan praten en ze trok de deur van haar stille atelier achter zich dicht.
‘Wat … een … eikel’ en met al haar kracht dreunde Marit de gedeukte houten hamer op de getergde beitel. ‘Wat … een … klootzak’. Grote en kleine stukken van de niet meer zo vierkante steen vlogen alle kanten op.
“Gotverdomme … wat … een … AUW!’ Marit liet haar gereedschap vallen en greep gebukt naar haar oog. ‘Klootzak … klootzak … klootzak …’Met haar linkerhand op haar door pijn vervormde gezicht verliet Marit vloekend haar atelier.
De dag leek te beginnen zoals die ervoor was geëindigd. ‘Ah nee, klootzak’, maar dit keer sprak ze zichzelf ontstemt aan. ‘Alle lichten laten branden’ Marit liep snel naar het koffiezetapparaat waar de ingebrande koffie al flink zijn verbrande geur in het atelier aan het verspreiden was. Marit liep langs de gehavende witte rots, streelde de dikke laag watten op haar oog en had voor deze week een excuus om Siebe met rust te laten.
Vlak voor de lege blik zat Marit gebogen op haar kruk hem geconcentreerd te bestuderen. Ze boog zich naar links en liet haar hand zachtjes over de koude bleke wang glijden. Met een kleine veil wiegde ze zachtjes over zijn wang tot deze de perfecte ronding vertoonde.