Hoewel oom Rudolph maanden was weggeweest vonden zowel Isabella als haar tante nu al dat hij veel te vroeg was thuisgekomen. Ze zaten al vier uur lang aan de lange tafel zijn vele saaie anekdoten plichtmatig in de statige eetkamer aan te horen.
Isabella zat zoals altijd met haar rug naar het raam en keek zo uit op de vele streng naar kijkende potretten. Haar tante en oom eiste een serene maaltijd en de onrustige bewegingen op straat sloegen nog wel eens op Isabella over. De verzorgde verschijning van haar tante zo ver mogelijk bij oom Rudolph vandaan. Af en toe onderbrak ze hem met een verveelde stem ‘oh, echt?’ maar steeds vaker wierp ze een blik op de grote staande klok waarvan de slinger de spaarzame stille momenten meteen opeiste.
Isabella liet zo min mogelijk van haar verveling blijken en hoopte dat oom Rudolph snel moe zou worden. Zijn zaken werden altijd langdradig gedeeld en dit keer waren zijn zaken buitengewoon goed verlopen. Na de zoveelste flauwe grap begonnen de spieren rond Isabella’s mond pijn te doen. Ze zocht vergeefs naar de ogen van haar tante maar die keek niet gehinderd door enige compassie minachtend naar de man aan de andere kant van de tafel.
Zijn verweerde gezicht, zijn doffe diepliggende ogen riepen sinds de glimmende kale plek erboven de overhand had gekregen een nog diepere walging bij haar op. Hoe vaak had ze hem wel niet vergeefs gevraagd zijn wilde baard af te scheren en om de zijn tot zijn schouders reikende lange grijze ‘kraag’ zoals zij het noemde, af te knippen. ‘Ik verdien het geld hier dus ik bepaal’. Het was zijn standaard antwoord waarmee hij bij een goed humeur ieder bezwaar en weerwoord lacherig wegwuifde.
‘Weet je wat me het meeste tijd kostte?’ en oom Rudolph antwoordde zichzelf maar meteen. ‘Die domme inboorlingen. Die apen waren zo stom en spraken zo slecht andere talen dat de meeste tijd verloren ging aan hun simpele dingen uit te leggen.’ En op zijn gezicht kondigde alweer lacherig het volgende flauwe grap aan, ‘en betwijfel eigenlijk wel of ze elkaar wel begrepen.’ en hij barste in lachen uit.
‘Maar Rudolph’, wierp Isabella’s tante hem geïrriteerd toe, ‘hoe kun je die mensen dan je nieuwe fabriek toevertrouwen als ze zo stom zijn?’
Links van haar zag Isabella het lachende gezicht van haar oom meteen betrekken. ‘Ben je niet bang dat de, hoeveel waren het ook alweer? 10.000 blauwe overhemden die ze moeten maken‘ en een gemene grijns verscheen op haar gezicht, ‘niet 500 roze t-shirt blijken te zijn?’
Isabella liet een harde lach ontsnappen en kon met moeite doen alsof ze zich verslikte. Het gezicht van haar oom liep rood aan en ze probeerde zich zo klein mogelijk te maken en gleed gleed langzaam van haar stoel onder de tafel. Kritiek was niet iets dat hij duldde en van haar, terecht of niet, al helemaal niet.
‘Recht zitten jij!’ Beet haar oom haar toe en Isabella wist dat ze maar beter kon luisteren. ‘Suggereer je dat ik nog stommer dan die inboorlingen ben?’ En tante haalde vragend haar schouders op. ‘Die spleetogen’ beet hij zijn lege bord gebogen hen toe ‘denk je nou echt dat ik ze ook maar iets toe vertrouw?’
‘Geen idee, schat‘ en ze liet de vleiende woordjes als scheldwoorden klinken. ‘jij bent de baas, het is jouw geld en jouw fabriek’ en Isabella zag een enorme haat in de ogen van haar tante opwellen die meteen door haar oom met een rood hoofd werd beantwoord.
‘Precies, SCHAT, ik ben de baas van wat jij hebt ooit h –’ en hij keek haar hooghartig aan. Hij stond op het punt zijn woede toe te laten hun geheim in Isabella’s bijzijn eindelijk te verklappen.
‘Naar bed jij!’ Beviel hij Isabella de deur wijzend en ze hoopte maar dat haar tante het goed zou vinden. Vluchtig keek Isabelle naar de woeste blik van haar tante die haar met een minzaam knikje toestond op te staan. Isabella wilde stilletjes vertrekken maar tante hielt haar tegen.
‘Vergeten je niet wat?’ klonk ze verwijtend. Isabella was het bijna vergeten. En nu snapte ze dat het was om haar oom te laten zien wat hij niet had en nooit zou hebben. Ze liep naar haar tante en met tegenzin kuste haar wang.
‘Welterusten lieve tante’ en Isabelle deed haar best haar afgrijzen niet te laten blijken, maar toen ze zich omdraaide barste haar oom in lachen uit. ‘Zag je dat gezicht, denk je nou echt dat ik … ?’ en hij verslikte zich hard lachend in zin.
Isabella verliet de eetkamer en trok buiten hun zicht haar laarsjes uit en rende over de enorme spiralen trap naar boven. Opgelucht duwde ze met haar rug de deur van haar slaapkamer dicht en was blij dat haar oom en tante één ding respecteerde; dat haar slaapkamer na het avondeten en voor de zon opging niet voor hun toegankelijk was.
De houten vloer liep onder haar voeten krakend naar het hoge raam met haar mee. In één snelle beweging verborg het oude versleten gordijn de wereld erachter. Isabella liet zich door het dikke matras omarmen en keek slaperig hoe de laatste straaltjes licht op het bloemrijke behang de dag langzaam uitdoofde.